Breda kiest voor wegkijken bij misstanden COA

19 september 2025door LPF Breda

De beantwoording van onze raadsvragen over de betrouwbaarheid en doofpotcultuur bij het COA is ronduit onthutsend en pijnlijk onthullend. Niet omdat de antwoorden iets oplossen maar omdat ze genadeloos blootleggen waar Breda werkelijk voor kiest: het willens en wetens beschermen van het COA, het systematisch afschuiven van verantwoordelijkheid en het structureel buitenspel zetten van de raad.  De kern van het probleem wordt hiermee pijnlijk bevestigd: Breda zit vast in een bestuurlijk web waarin incidenten worden gebagatelliseerd, afspraken vrijblijvend blijken, transparantie wordt gemeden en de democratische controle stap voor stap wordt uitgehold.

De standaardreflex: “We herkennen ons niet in uw vraagstelling”

Het college gebruikt deze zin als een schild tegen kritiek. Op vragen 6, 7, 10, 11, 17 en 18 luidt het antwoord letterlijk: “Het college herkent zich niet in uw vraagstelling.” Het lijkt misschien een beleefde nuance, maar in werkelijkheid betekent het: wij gaan de inhoud niet beantwoorden. Dit is niet alleen ontwijkend taalgebruik, maar een bewuste tactiek om verantwoording te vermijden. Het is een klassieke bestuurlijke truc: je verschuilt je achter semantiek om de politieke discussie te ontwijken, de confrontatie te vermijden en daarmee de raad en samenleving feitelijk te frustreren in hun recht op openheid en controle. Het herhaaldelijk inzetten van dit soort formuleringen maakt duidelijk dat het college transparantie niet als plicht maar als last ervaart, en liever raadsleden afpoeiert en kiest voor ontwijking dan gewoon openheid van zaken te geven.

Transparantie als gunst, niet als plicht

Het meest onthullende antwoord staat bij vraag 10. Juist deze passage legt pijnlijk bloot hoe dit college aankijkt tegen de rol van de gemeenteraad en de basisprincipes van democratische controle. Hier wordt duidelijk dat het college transparantie niet ziet als een vanzelfsprekend onderdeel van goed bestuur, maar als een gunst die men naar eigen goeddunken kan verlenen of weigeren. Dit antwoord is daardoor exemplarisch voor de bredere bestuurscultuur van wegkijken, afschuiven en het minimaliseren van problemen.

“Hoewel we incidenten in het AZC zeer serieus nemen, is het niet gebruikelijk om uw raad te informeren bij een incident in een asielopvanglocatie.”

Nou wat staat hier nou feitelijk: we vertellen de raad niets, tenzij wij dat nodig vinden. Dat betekent dat raadsleden, de gekozen volksvertegenwoordigers, cruciale informatie pas te horen krijgen als het college zelf besluit dat het “ernstig genoeg” is. In een gezonde democratie bepaalt de raad zelf wat relevant is, niet het college. In welke wereld is een incident zoals een minderjarig meisje in handen van een vermeend loverboy in een AZC in Breda niet ernstig genoeg? Dit kan alleen in een wereld waarin bestuurlijk gemak en reputatiebescherming belangrijker zijn dan de veiligheid van kinderen. De informatie komt pas boven water via media, terwijl de volksvertegenwoordiging wordt gepasseerd.

Het rookgordijn van machteloosheid en de keuze om niet te handelen

Steeds opnieuw herhaalt het college dat het COA verantwoordelijk is voor de veiligheid binnen opvanglocaties en dat het Rijk de kaders bepaalt. Daarmee schept het de indruk dat Breda niets kan doen, alsof het slechts een machteloze toeschouwer is bij incidenten die zich in onze gemeente afspelen. Formeel klopt het natuurlijk dat het COA valt onder de Rijksoverheid. Maar de burgemeester is volgens art. 172 Gemeentewet eindverantwoordelijk voor de openbare orde in de gemeente. Dat betekent dus: als er problemen zijn bij een AZC die de veiligheid en leefbaarheid aantasten, heeft de burgemeester wel degelijk de bevoegdheid om in te grijpen, van aanvullende maatregelen tot het opleggen van restricties.

Door te doen alsof Breda slechts toeschouwer is, creëert het college een rookgordijn van machteloosheid. In werkelijkheid is dit niets meer dan een politieke keuze: een bewuste keuze om niet te handelen, geen strijd met Den Haag en het COA aan te gaan en de verantwoordelijkheid af te schuiven. Dit is geen gebrek aan middelen, maar een gebrek aan moed en ruggengraat.

“We herkennen ons niet in uw vraagstelling”

Vraag 7 ging rechtstreeks over sancties: is het college bereid om dwangsommen of handhaving in te zetten? Het verrassende antwoord klonk wederom: “We herkennen ons niet in uw vraagstelling.” Dit is geen misverstand, maar een regelrechte weigering om verantwoordelijkheid te nemen. Gemeenten beschikken via art. 125 Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht over stevige juridische instrumenten: zij kunnen bestuursdwang toepassen, dwangsommen opleggen en via vergunningverlening druk uitoefenen.

Deze middelen zijn er niet voor de sier, maar om afspraken daadwerkelijk afdwingbaar te maken en organisaties als het COA tot naleving te verplichten. Dat Breda dit nooit doet, laat zien dat de zogenaamde “bestuursovereenkomst” met het COA in de praktijk niets meer is dan een stuk papier zonder tanden. Een contract zonder consequenties, een gentlemen’s agreement waarin het COA keer op keer zijn gang kan gaan. Hierdoor worden afspraken vrijblijvend, kunnen schendingen zich ongestraft herhalen en ontstaat er een patroon waarin falen de norm wordt. Het college legitimeert dit door stil te blijven, en maakt zichzelf daarmee medeverantwoordelijk voor het structurele gebrek aan handhaving.

Vertrouwen burgers: erkend in woorden, genegeerd in daden

Het college schrijft zelf poëtisch, bijna lichtzinnig dat: “Vertrouwen te voet komt en te paard gaat.”  Mooie woorden natuurlijk, maar ze blijken hol zodra het gaat om echte verantwoordelijkheid. Want wanneer wij vragen of het college Den Haag ondubbelzinnig wil waarschuwen dat draagvlak in Breda blijvend wordt ondermijnd, volgt slechts: “Het college ziet hier geen aanleiding toe.”

Hier openbaart zich de gapende kloof tussen woorden en daden. Burgers verliezen vertrouwen door incidenten, overlast en gebroken afspraken. De boodschap is pijnlijk duidelijk: de relatie met het COA weegt zwaarder dan het vertrouwen van de inwoners. Daarmee kiest het college bewust voor een politiek van wegkijken, reputatiebehoud en volgzaamheid, terwijl het draagvlak in Breda verder afbrokkelt en onherstelbare schade dreigt aan de geloofwaardigheid van de lokale democratie.

Het falend beleid van afschuiven, wegkijken en doorverwijzen

Een vijftienjarig meisje verbleef ongeregistreerd in het AZC en viel in handen van een vermeend loverboy. Het antwoord van het college: “Het is aan politie en OM om daar onderzoek naar te doen.” Daarmee maakt het college zich er met één zin van af. Dit is natuurlijk afschuifpolitiek in optima forma: het verschuilen achter andere instanties om maar niet naar de eigen rol en verantwoordelijkheid te hoeven kijken.

Natuurlijk speelt de politie een rol bij strafbare feiten, maar de kernvraag is veel fundamenteler: hoe kon dit meisje überhaupt ongeregistreerd verblijven in een opvanglocatie die juist vol zou moeten zitten met toezicht, huisregels en veiligheidsprotocollen? Daarop komt geen enkel antwoord. Geen zelfreflectie, geen erkenning van tekortschieten, geen extra maatregelen. Alleen een kille verwijzing naar protocollen die in dit geval overduidelijk gefaald hebben.

De stad van afpoeieren, bagatelliseren en verzwijgen

Over onze vraag of het COA incidenten bagatelliseert of verzwijgt, wordt afgedaan met: “Het college deelt deze analyse niet.” Geen enkele onderbouwing, geen feiten, geen onderzoek dat dit standpunt staaft. Alleen een politiek statement dat het COA “doorgaans bereid is tot overleg.” Daarmee probeert het college ons met een kluitje in het riet te sturen, alsof de bereidheid tot overleg gelijkstaat aan betrouwbaarheid en transparantie.

Dit is symptomatisch voor het Bredase college. Problemen worden niet weerlegd met cijfers of beleid, maar weggemasseerd met vage algemeenheden. Deze ongekende afpoeiermethode kent geen grenzen:  harde feiten worden vermeden, kritische analyses worden weggewuifd en reputatieschade wordt koste wat kost voorkomen. Daarmee bevestigt men precies de kritiek: incidenten worden structureel gebagatelliseerd, niet om inwoners gerust te stellen maar om het COA uit de wind te houden, en om te voorkomen dat de raad een eerlijk beeld krijgt van de situatie.

De feiten zijn keihard, ontluisterend en onweerlegbaar

De beantwoording zelf bevat genoeg feiten om de conclusies te trekken, en die feiten zijn vernietigend. Incidenten worden wel gemeld aan politie en gemeente, maar niet aan de raad, tenzij het college dat zelf nodig vindt. Daarmee wordt de raad, en dus de inwoners, systematisch buitengesloten. Bij afspraken, zoals in Breepark, zijn toezeggingen aantoonbaar overschreden: de opvangperiode werd langer voortgezet dan bestuurlijk was afgesproken, waarmee de gemaakte afspraak feitelijk is geschonden. Dit blijkt zwart op wit uit de raadsinformatiebrief van 28 maart 2024 en uit de beantwoording zelf, waarin het college hiernaar verwijst.

Ook media, waaronder Omroep Brabant, hebben destijds bericht dat de beloofde einddatum niet werd gehaald en de opvangperiode stilzwijgend werd verlengd. Deze bronnen tonen onmiskenbaar aan dat er sprake was van een afsprakenbreuk. En toch stelt het college doodleuk: “We herkennen ons niet in de aanname dat COA afspraken schendt.” Daarmee gaat het verder dan het verdraaien van de waarheid: Het college presenteert fictie als feit en probeert een duidelijke schending van afspraken te verhullen. In gewone taal heet dat liegen. Daarmee wordt de werkelijkheid ontkend en wordt bestuurlijke fictie verheven tot officiële lijn.

Dit toont niet alleen nalatigheid, maar een bewuste keuze om het COA de hand boven het hoofd te houden. Transparantie is geen vaste plicht, maar een willekeurige keuze van het college, afhankelijk van wat politiek beter uitkomt. Deze feiten komen niet uit onze duim, maar uit de antwoorden van het college zelf. Het beeld is consistent en ontluisterend: incidenten worden erkend, maar zonder gevolgen. Afspraken worden geschonden, maar zonder consequenties. Burgers verliezen terecht hun vertrouwen, omdat de gemeente weigert Den Haag of het COA hard aan te spreken. Dit alles schetst het beeld van een college dat niet beschermt, niet handhaaft en niet transparant is – maar vooral wegkijkt, bagatelliseert en de waarheid onder het tapijt schuift.

Conclusie

De beantwoording bevestigt alles waar LPF Breda al maanden voor waarschuwt: Breda zit vast in een bestuurlijke doofpotcultuur. Dit college ontkent structurele problemen, weigert sancties, houdt de raad doelbewust onwetend en stelt het vertrouwen en de veiligheid van burgers ondergeschikt aan de reputatie van het COA. Daarmee kiest het niet voor de inwoners, maar voor het wegmoffelen van misstanden en het beschermen van een falend systeem. Dit een bewuste keuze om de problemen te negeren, de waarheid te verdraaien en de raad en samenleving buitenspel te zetten. Breda betaalt de prijs: in veiligheid, in vertrouwen, in draagvlak en in de geloofwaardigheid van onze lokale democratie. LPF Breda zal deze doofpotpolitiek blijven onderzoeken, en roept de raad op niet langer mee te gaan in dit patroon van ontkenning. Er zijn harde politieke consequenties nodig: het aanscherpen van afspraken, het eisen van volledige transparantie, het voorbereiden van sancties en, als het nodig is, het ter verantwoording roepen van dit college. Want de waarheid verdient geen rookgordijn, maar het volle licht van de democratie.

https://lpfbreda.nl/fortuyn_media/2021/04/LOGOklein-e1617455421586.png
Doe mee!Social media
Volg ons zodat je niets hoeft te missen!
https://lpfbreda.nl/fortuyn_media/2021/04/LOGOklein-e1617455421586.png
Doe mee!Social media
Volg ons zodat je niets hoeft te missen!

©2026 LPF Breda – Alle rechten voorbehouden

©2026 LPF Breda – Alle rechten voorbehouden