Toen Lijst Pim Fortuyn Breda op 20 juni jl. schriftelijke vragen stelde aan het college over de beëindiging van de bruikleenovereenkomst van Buurthuis Geeren-Noord, was ons uitgangspunt helder: het gemeentebestuur moet uitleggen waarom het jarenlang heeft weggekeken van signalen over wanbestuur, integriteitsproblemen en criminele activiteiten. Nu het college op 2 juli met antwoorden kwam, blijkt vooral dat men óf geen idee heeft wat er is misgegaan, óf hoopt dat niemand daar ooit nog vragen over stelt. De antwoorden ademen een bureaucratische gelatenheid, afgewisseld met selectief geheugenverlies en het soort ontwijkend taalgebruik dat men normaal alleen bij lobbyisten aantreft. In plaats van zelfreflectie krijgen we een toneelstukje voorgeschoteld waarin de hoofdrolspeler (het college) doet alsof het allemaal buiten haar om gebeurde of haar is overkomen. De bestuurlijke verantwoordelijkheid ligt niet bij het decor, maar bij de regie. En die ontbreekt volledig.
Jarenlange signalen
Het college erkent dat er meerdere signalen binnenkwamen over misstanden in het buurthuis – van illegale feesten tot de handel in smokkelwaar. Maar pas toen de sigaretten letterlijk onder de toonbank vandaan rolden, werd er gehandeld. 53 sloffen illegale sigaretten en 25 builen shag moesten blijkbaar eerst op tafel komen voordat er bestuurlijke spierkracht werd gevonden. Tot die tijd bleef het bij theekransjes met het bestuur, beleefd geknik en nietsdoen. Uit niets blijkt dat het college ooit serieus heeft gehandhaafd of grenzen heeft gesteld, ondanks het feit dat er herhaaldelijk sprake was van overtredingen. Daarmee bevestigt het college impliciet wat wij al vermoedden: dat men jarenlang heeft weggekeken, de andere kant op is blijven staren en hoopte dat het vanzelf zou overwaaien. Bestuurlijk laissez-faire op z’n Bredaas.
Onacceptabele bestuurlijke vaagheid
‘What happens in Geeren, stays in Geeren’ zo lijkt de bestuurlijke lijn van het college te luiden. Alsof misstanden binnen een buurthuis vanzelf ophouden met bestaan zolang niemand er vragen over stelt. Die houding is niet alleen cynisch, maar ook gevaarlijk.
Op vragen over de overgang van het oude bestuur naar een nieuw bestuur blijft het college vaag. Er wordt niet ingegaan op de risico’s van informele machtsnetwerken of de mogelijkheid dat oud-bestuursleden via de achterdeur betrokken bleven. De stelling dat “de situaties niet vergeleken kunnen worden” is geen argument, maar een ontwijking. Als de overheid gemeenschapsgeld en publieke ruimte ter beschikking stelt, is volledige transparantie over bestuursoverdracht en toetsing vereist.
‘What happens in Geeren, stays in Geeren’
Ook de beantwoording op onze vraag over het Rekenkamerrapport 2023 is ondermaats. Het college beweert “niet te weten welke aanbevelingen” wij bedoelen, terwijl het rapport uitgebracht op 16 maart 2023 nadrukkelijk aanbevelingen bevat over bestuurlijke controle, informatievoorziening en versterking van de raad als toezichthoudend orgaan. Juist deze punten raken de kern van wat in Geeren-Noord misging: gebrekkige signalering, onvoldoende opvolging en falend toezicht. Een ter zake kundig college zou deze aanbevelingen paraat moeten hebben, zeker gezien de actualiteit en impact ervan. Als men dan beweert deze aanbevelingen niet te kennen, speelt men óf gekke Henkie, óf denkt men dat de raad dat doet. Maar dit is Breda, geen toneelstuk. Dit is bestuurlijke verantwoordelijkheid, geen amateurtheater.
Waar blijft de erkenning van bestuurlijk falen?
Op geen enkel moment in de beantwoording neemt het college afstand van het feit dat het hier gaat om een falend toezichtmechanisme binnen gemeentelijk vastgoed, terwijl het pand jarenlang een vrijplaats was voor wetsovertredingen. In plaats van een ruiterlijke erkenning van falen, krijgen we een gegoochel met beleidsregels voorgeschoteld – alsof een jaarplan plotseling alles rechtzet wat jarenlang genegeerd is. De gemeente stelt nergens de vraag waarom die zogenaamd briljante maatregelen niet jaren eerder zijn ingezet. Want dat zou betekenen dat men moet toegeven dat men heeft geslapen achter het stuur. Juist dát is bestuurlijke kernverantwoordelijkheid: falen herkennen voordat de boel ontspoort en niet achteraf doen alsof je het altijd al onder controle had. Het is alsof de brandweer na een afgebrand huis komt vertellen dat de bluswagen voortaan vaker wordt bijgevuld.
Veiligheidssituatie Geeren-Noord: te geruststellend
Wat betreft signalen van radicalisering blijft het college steken in holle frasen en doorverwijzingen naar bekende overlegtafels en ‘structurele trainingen’. Alsof een verwijzing naar het Zorg- en Veiligheidshuis automatisch betekent dat men weet wat er speelt. De historische casus van 2015, toen een uitreis naar Syrië werd voorkomen, wordt niet eens genoemd als leerpunt of referentie. Of men is het vergeten, of men durft de gevoeligheid niet onder ogen te zien. En ook hier: geen spoor van een actuele risicoanalyse, geen toetsbare informatie, geen recidive-inzicht over 2021–2025. Het college lijkt te hopen dat radicalisering ophoudt met bestaan zodra je het in een beleidsstuk parkeert.
Toezicht op gemeentelijk vastgoed: papieren werkelijkheid
Het college schildert zichzelf af als een oplettende verhuurder die “regelmatig contact” onderhoudt met huurders van gemeentelijk vastgoed. Maar wie dat gelooft, moet ook geloven dat de Paashaas toezichthouder is in Geeren-Noord. Als dat contact er echt was, hoe kon dan jarenlang een buurthuis dienstdoen als rokerige feestenbunker, illegaal magazijn en no-go area voor ambtenaren? Dit is geen incident, dit is een structurele desinteresse verpakt in bestuurlijke mooipraterij. De systemen waren er zogenaamd wél, maar bleven angstvallig uit beeld zodra het spannend werd. Wat werkelijk ontbreekt, is niet een beleidsstuk of overlegstructuur, maar bestuurlijke moed. En het lef om in de spiegel te kijken en hardop te zeggen: dit is mede ónze schuld.
Wij blijven niet stil – vervolgvragen volgen
LPF Breda vindt het volstrekt onvoldoende dat het college zich blijft verschuilen achter beleidsdocumenten en overlegstructuren, terwijl fundamentele vragen over verantwoordelijkheid, handhaving en regie worden genegeerd. De ernst van de situatie – criminele activiteiten binnen gemeentelijk vastgoed, langdurige bestuurlijke nalatigheid, signalen van maatschappelijke onveiligheid – vereist meer dan bureaucratisch proza.
Wij zullen daarom vervolgvragen stellen. Over het tijdpad van signalering tot handhaving. Over de precieze betrokkenheid van bestuursleden. Over de inhoud van de eerdere gesprekken. En vooral: over de vraag hoe het college haar geloofwaardigheid wil herstellen in wijken waar vertrouwen in de overheid al onder druk staat. Een buurthuis is geen vrijplaats voor fraude en een college mag geen vrijbrief krijgen om zijn eigen falen te vergeten.



