‘Waar bemoeien jullie je mee?’
Wat krijg je als je als partij het college confronteert met concrete signalen van natuurverstoring, bestuurlijke willekeur, participatieproblemen en ondoorzichtige vergunning praktijken? Geen open debat, geen reflectie, maar vooral de onderhuidse boodschap: “Waar bemoeien jullie je eigenlijk mee?” De antwoorden op onze artikel 9-vragen zijn formeel correct – en juist daardoor zo alles zeggend. Want ze laten zien hoe weinig ruimte er eigenlijk is voor tegenspraak, bijstelling of verantwoordelijkheid. In plaats van alert en lerend bestuur treffen we een gemeentebestuur dat liever vasthoudt aan een beleidsnota uit 2020 dan de realiteit van 2025 onder ogen ziet.
‘Er is niks aan de hand’
Zo stelt het college dat het evenementenbeleid ‘nog actueel’ is en dat er geen aanleiding bestaat tot herziening. Met andere woorden: “er is niks aan de hand.” Die houding is op zichzelf al veelzeggend. Structurele druk op natuurgebieden, toegenomen bewonersprotest en veranderde stadsdynamiek worden afgedaan als randverschijnselen. De enige actie die volgt is een adviesje bij Breda Marketing. Geen bijstelling, geen actualisering, geen politieke heroverweging. En al helemaal geen bewonersinspraak. Wat dit college presenteert als rust en regelmaat, is in feite bestuurlijke onverschilligheid: burgers worden niet gezien als gesprekspartner, maar als lastig bijgeluid. De boodschap is duidelijk: zolang niemand te hard schreeuwt, gaat de overlast gewoon door. En de raad? Die mag toekijken vanaf de zijlijn.
Participatie? Dat hebben we toch zeker al een keer gedaan in 2020!
Daarmee komen we bij het tweede pijnpunt: draagvlak. Het college stelt dat het beleid ‘zorgvuldig en participatief’ tot stand is gekomen in 2020 en beschouwt daarmee het participatievraagstuk als afgedaan. Dat is natuurlijk gemakzucht van het zuiverste soort. Democratisch draagvlak is geen eenmalige actie, maar een voortdurend proces van afstemming en correctie. Het feit dat bewoners zich vandaag de dag gepasseerd voelen bij uitbreidingen of nieuwe evenementenlocaties wordt niet serieus genomen – sterker nog: het wordt glashard ontkend. De participatie onder de Omgevingswet wordt door het college gereduceerd tot een vormvrije plicht zonder gevolgen. Met andere woorden: als een organisator het gesprek voert, mag het college de uitkomst naast zich neerleggen. Dat participatie ooit is gedaan, betekent niet dat het vandaag nog legitiem is. Maar het college lijkt vooral bezig te zijn met het afwimpelen van betrokkenheid, alsof democratisch debat een hinderlijke onderbreking is van hun bestuur comfort. De vraag “wat vinden bewoners in 2025?” wordt niet beantwoord – ze wordt weggeschreven.
Geluidsoverlast? Organisator sluit een dealtje en de gemeente kijkt weg
Misschien wel het meest hallucinante antwoord van dit college gaat over de zogeheten ‘niet-meten’-verklaringen. Dat zijn afspraken tussen organisatoren en omwonenden waarin simpelweg wordt afgesproken: er wordt geen geluidsmeting gedaan. De overheid? Die kijkt toe. Letterlijk. Het college schrijft: “Wij achten deze werkwijze juridisch niet in strijd met het recht. Wij achten dit een zaak tussen organisator en particulier.” In plaats van grenzen stellen, kiest het college ervoor zich terug te trekken. Op de vraag of deze praktijk verboden moet worden, is het antwoord even duidelijk als onthutsend: “Wij zijn daarom niet bereid deze
handelswijze te verbieden.”
Met andere woorden: als je als burger niet wilt dat een evenement gemeten wordt, hoef je alleen maar een dealtje te sluiten. Je koopt rust. Of je wordt buitenspel gezet. Het is een perverse privatisering van handhaving: geen normen, geen gelijke bescherming, geen publieke regie. Geluidsoverlast wordt zo een luxeprobleem – op te lossen met een contract in plaats van beleid. En wat doet het college? Niets. Het weigert zelfs de morele implicaties te benoemen. Geen visie op gelijke behandeling, geen antwoord op rechtsongelijkheid. Wie zich wél beroept op de regels krijgt het nakijken – tenzij je eerst een privédeal hebt gesloten. Wat resteert, is een bestuur dat zijn oren laat hangen naar wie het hardst onderhandelt. En naar wie zwijgt? Die mag het uitzoeken.
Groene hypocriete ambities Breda: Natuur blijft ondergeschikt aan commerciële belangen
Ook op het punt van ecologie blijft het college vaag en defensief. De vraag of men bereid is geluidsplafonds te verlagen en piekmetingen te verbeteren wordt afgedaan met de opmerking dat daar ‘geen objectieve reden’ voor zou zijn. Er zouden ecologische onderzoeken zijn verricht, maar deze worden noch geciteerd, noch beschikbaar gesteld. Dat is bestuurlijke schijntransparantie. Tegelijkertijd erkent het college dat bij omgevingsvergunningen wél ecologische onderzoeken worden geëist. Dat roept de vraag op waarom deze niet als standaardvoorwaarde gelden bij evenementen op ecologisch kwetsbare locaties. Zonder toetsbare normen, zonder drempelwaarden en zonder herleidbare monitoring blijven natuurwaarden ondergeschikt aan organisatorenbelang.
Draagvlak? Totaal niet relevant voor een vergunning! Stel je voor!
Wanneer gevraagd wordt waarom ‘draagvlak onder omwonenden’ geen expliciet criterium is voor vergunningverlening, is het antwoord van het college ontluisterend in zijn eenvoud: “Draagvlak onder de omwonenden is geen expliciet toetsingscriterium.” In plaats daarvan verwijst men naar de Omgevingswet, waarin participatie weliswaar verplicht is, maar, zo stelt het college letterlijk: “de wijze waarop de participatie wordt gevoerd en hoe er met de resultaten wordt omgegaan, is vormvrij.” Met andere woorden: bewoners mogen praten, maar hoeven niet gehoord te worden. Ook hier wordt participatie tot een ritueel teruggebracht: wie wat roept, doet er niet toe zolang het vakje ‘participatie’ maar is aangevinkt. Wat overblijft is een façade van betrokkenheid . Participatie als decor, niet als invloed.
Bestuurlijke minachting: ontwijken, verwijzen, afschuiven
Zelfs op een cruciale vraag over rechtszekerheid – namelijk of bezwaar- en beroepsprocedures voortaan vóórafgaand aan het evenement kunnen worden afgerond, zoals de wetgever het bedoeld heeft – kiest het college niet voor beantwoording, maar voor de makkelijkste weg: ontwijken. Geen reflectie, geen inzet om de rechtspositie van bewoners te versterken, en vooral: geen enkele bereidheid om de controlerende taak van LPF Breda serieus te nemen.
In plaats daarvan krijgen wij een bureaucratisch schouderophalen: “hiervoor verwijzen we naar eerdere beantwoording van art. 9-vragen.” Daarmee zegt het college in feite tegen ons: zoek het lekker zelf uit. Het is exemplarisch voor de bestuursstijl in dit dossier: niet oplossen, maar afschuiven. Niet luisteren naar raadsleden, maar afpoeieren. Niet ingaan op een terechte vraag, maar de afzender marginaliseren.
LPF Breda stelt deze vraag niet voor de show, maar omdat het raakt aan het vertrouwen van bewoners in hun overheid. Burgers die bezwaar maken doen dat niet voor hun plezier, maar omdat hun woonomgeving, rust en rechten op het spel staan. In plaats van die zorgen serieus te nemen, gooit het college een muur van formaliteiten op. En wie die muur niet weet te beklimmen, staat buitenspel. Dit is geen toevallig gebrek aan antwoord, maar een bewuste keuze voor bestuurlijke gemakzucht boven rechtvaardigheid. Het is ambtelijke luiheid, door het college toegestaan en richting onze fractie ingezet als vorm van bestuurlijke minachting.
Tot slot
Wie deze beantwoording leest, ziet niet alleen een college dat vasthoudt aan oud beleid. Je ziet vooral een bestuurscultuur die de raad steeds minder serieus neemt als tegenmacht. Geen zin in herziening. Geen zin in uitleg. Geen zin in bemoeienis. Maar raadsleden zijn er niet om stil te zijn. Wij zijn er om op te merken wat burgers voelen, wat beleid mist en wat de overheid verzuimt. Als het college de raad behandelt alsof die zich overal mee bemoeit, dan herinneren wij ze eraan: dat is precies onze taak. Wij roepen de gemeenteraad op om dit niet te accepteren. Het is tijd voor een herziening van het evenementenbeleid, voor transparantie in vergunningverlening, voor meetbare participatie, en voor ecologische drempelwaarden die worden gehandhaafd – niet genegeerd. Want dit gaat niet alleen over festivals. Dit gaat over vertrouwen. Over zeggenschap. En over de vraag of het stadsbestuur nog wel aan de kant van de Bredanaar staat.


