Er klopt iets niet in de Zomergemstraat. Bewoners spreken al jaren over overlast, intimidatie, gevaarlijk rijgedrag, en het uitblijven van handhaving. LPF Breda stelde hierover duidelijke en feitelijk onderbouwde artikel 9-vragen aan het college. De antwoorden die volgden vormen geen helder bestuurlijk standpunt, maar een toonbeeld van defensieve reflexen, cijfermatige afleiding en structureel wegkijken. Wat volgt is een grondige filering van de beantwoording, per onderdeel
“Er zijn helemaal niet zoveel meldingen hoor”
Het college stelt dat er slechts 17 meldingen zijn gedaan vanuit de Zomergemstraat sinds 1 januari 2025. Maar wie de cijfers ontleedt, ziet dat dit aantal kunstmatig is opgeblazen. In de lijst staan namelijk ook meldingen over ‘honden’, ‘slecht werkend internet’ en ‘reiniging van een weg’. Slechts vijf meldingen vallen onder de categorie ‘wijkveiligheid’ en daarvan zijn er maar twee gerelateerd aan jeugd. De relevante overlastcategorieën – intimidatie, gevaarlijk rijgedrag, verstoring van de openbare orde – worden amper afzonderlijk benoemd, laat staan geanalyseerd. Feitelijk gezien zegt het college dus: er zijn weinig meldingen over de onderwerpen die u noemt, ómdat wij ze zelf onder andere labels hebben weggeschreven. Bovendien is het logisch dat bewoners afhaken met melden als eerdere meldingen niets opleveren. Lage meldcijfers zijn dan geen geruststelling, maar een alarmsignaal.
“We kunnen toch zeker niet altijd optreden? “
Het college stelt dat handhaving niet altijd mogelijk is, omdat overlastgevers vaak verdwenen zijn tegen de tijd dat handhavers arriveren. Dat is herkenbaar. Maar daarmee wordt de verantwoordelijkheid bij de melder gelegd, niet bij het systeem. Er is geen enkel woord over hoe vaak boa’s en politie daadwerkelijk in de wijk surveilleren, wat de reactietijd is bij meldingen, of hoe effectief toezicht is ingericht. Nog kwalijker is het frame dat sommige gedragingen “wel hinderlijk maar niet strafbaar” zouden zijn. Daarmee legitimeert het college stilstand bij structurele overlast – terwijl artikel 3 van de Politiewet en de APV Breda juist expliciet wijzen op de taak van politie en handhaving om de openbare orde te bewaren en overlast te beperken. Juridisch kunnen handhavers wel degelijk ingrijpen op basis van hinder, mits zij willen.
“De bewoners overdrijven gewoon”
De vraag waarom betrokken inwoners geen opvolging krijgen op meldingen, wordt beantwoord met een koude afwijzing: “Het aantal meldingen is lager dan u suggereert”. Daarmee zet het college kritische bewoners weg als overdrijvers. Terwijl deze bewoners vaak al maanden signaleren, foto’s aanleveren, en signalementen doorgeven. Juist zij worden gefrustreerd door het gebrek aan reactie. Het college erkent niet dat dit actieve burgerschap essentieel is voor wijkveiligheid. Geen enkel woord van dank, geen erkenning van het vertrouwen dat mensen in de overheid tonen door te blijven melden. Integendeel: de boodschap is dat ze zich vergissen. Een kwalijke bestuursstijl die leidt tot wantrouwen, cynisme en afhaken van betrokken burgers.
“Onze handhavers doen hun werk echt wel”
Op de vraag waarom handhavers niet optreden bij overlast, stelt het college droog: “Ons is niets bekend dat handhavers niet zouden optreden.” Die ontkenning staat haaks op wat bewoners, wijkprofessionals en raadsleden melden. De gemeente doet niet eens de moeite om de signalen te onderzoeken. Er is geen intern onderzoek, geen analyse van camerabeelden, geen evaluatie van toezichtlogboeken. Dit is geen gebrek aan informatie, maar een keuze om die informatie niet te willen zien. Bestuurlijk ongeloof als beleid. Daarmee wordt het vertrouwen in handhaving systematisch uitgehold. Als handhavers niet optreden, en dat vervolgens ook niet gecontroleerd wordt, dan wordt onzichtbare handhaving gelijk aan onbestaande handhaving.
Niets doen is soms ook beleid
De meest ontluisterende zin uit het hele document is deze: “Niets doen is in principe geen optie, maar kan soms wel een optie zijn.” Daarmee ondermijnt het college zijn eigen handhavingskader. Deze zin legitimeert inertie als strategie. De suggestie is dat het soms verstandig is om niet op te treden, bijvoorbeeld om escalatie te voorkomen of om dossiers op te bouwen. Maar wat zijn de criteria? Wie beoordeelt dat? En hoe wordt dit verantwoord richting raad en inwoners? Het college faalt hier in transparantie over proportionaliteit, rechtsgelijkheid en uitvoeringskaders. Er wordt verwezen naar een afweging die in het hoofd van de boa of agent zit, maar die nergens wordt vastgelegd of teruggekoppeld. In feite zegt het college: wij nemen geen verantwoordelijkheid voor wat op straat gebeurt.
“Niets doen is in principe geen optie, maar kan soms wel een optie zijn.”
“Als mensen afhaken, moeten ze meer melden”
Het college erkent dat sommige inwoners zijn gestopt met melden, uit angst of frustratie. Maar de oplossing is opnieuw: “meld meer”. De kernvraag – waarom mensen stoppen – wordt niet onderzocht. Er is geen analyse van meldprocessen, geen klanttevredenheidsonderzoek, geen audit op terugkoppeling of opvolging. De reactie is symptomatisch voor een overheid die zijn eigen informatievoorziening belangrijker vindt dan het vertrouwen van burgers. Het meldsysteem is geen doel op zich. Het moet bijdragen aan daadwerkelijke interventie, herstel van leefbaarheid en handhaving van de orde. Anders is het een papieren werkelijkheid waar niemand meer in gelooft.
“Sfeerbeheer gaat het oplossen”
In de beantwoording van vraag 7 doet het college voorkomen alsof de rust in de Zomergemstraat vanzelf is teruggekeerd. Er wordt verwezen naar “significant minder meldingen” en het inzetten van ‘Sfeerbeheer’ – een externe partij die jongeren aanspreekt en in contact staat met gemeente en politie. Klinkt doortastend, maar het verhaal is onvolledig. Want wat het college verzwijgt, is dit: die rust kwam er niet vanzelf. Die kwam pas na jaren van klachten, politieke druk en bewoners die niet opgaven. De rust waar nu op wordt gewezen, lijkt op het eerste gezicht te danken aan beleidsinzet, maar is in werkelijkheid pas voelbaar geworden nadat er op 21 mei 2025 eindelijk één jongere met een crossmotor werd aangehouden in de Zomergemstraat. Pas toen zagen bewoners het eerste concrete optreden in maanden. Die aanhouding bracht opluchting in de buurt – niet omdat het probleem daarmee was opgelost, maar omdat het eindelijk zichtbaar serieus genomen werd.
De rust kwam niet vanzelf
Maar die handhaving kwam er niet vanzelf. Het is het gevolg van aanhoudende inzet: van bewoners die bleven melden ondanks teleurstellingen, en van politieke partijen (zoals LPF Breda) die bleven doorvragen toen het college nog wegkeek. van bewoners die bleven melden ondanks teleurstellingen, en van politieke partijen – (zoals LPF Breda) die bleven doorvragen toen het college nog wegkeek. Het is pas ná onze artikel 9-vragen dat de urgentie expliciet werd erkend. En het is geen toeval dat de inzet van Sfeerbeheer in mei 2025 pas startte ná die vragen, ná publieke onrust, ná aanhoudende druk. De Zomergemstraat kreeg rust, niet door beleid – maar door volharding. De bewoners hebben dat afgedwongen. En pas toen de politiek het oppakte, kwam er beweging. Dat is het echte verhaal. Ook is het belangrijk om niet te doen alsof ‘Sfeerbeheer’ een structurele oplossing is. Het is géén vervanging voor handhaving, en mag dat ook nooit worden. Externe professionals kunnen contact leggen, signalen opvangen, maar zij dragen geen gezag. En gezag is precies wat ontbrak in de Zomergemstraat.
Wat nodig blijft:
- Structurele inzet van wijkboa’s en politie met duidelijke aanwezigheidsdoelen;
- Meetbare effecten: minder overlast, hogere meldingsbereidheid, kortere responslijnen;
- Blijvende terugkoppeling naar bewoners;
- Bestuurlijke erkenning dat deze doorbraak niet voortkwam uit het beleid, maar uit de wijk.
LPF Breda zal daar scherp op blijven toezien. Niet omdat het college plots tot inkeer is gekomen, maar omdat bewoners recht hebben op veiligheid, en op een overheid die werkt – niet pas als het escaleert, maar als het nodig is.
Tot slot
De beantwoording van het college is exemplarisch voor de bestuurscultuur die LPF Breda al langer aan de kaak stelt: technocratisch, afwerend, niet lerend. In plaats van feiten te erkennen, burgers te ondersteunen en fouten te herstellen, kiest het college voor bureaucratische framing en minimale actie. “Waar bewoners onveiligheid ervaren, biedt het college verklaringen. Waar handhaving uitblijft, krijgen mensen een sfeerbeheerder. En waar mensen afhaken, zegt het college: meldt u vooral nog een keer.” LPF Breda kiest voor een andere lijn: zichtbare handhaving, bestuurlijke rekenschap, en een overheid die dienstbaar is aan haar inwoners – niet omgekeerd.


